Factsheet toestand en ecologische sleutelfactoren (DIPS)

Hoofdlijnen

Beschrijving van het gebied en watersysteem op hoofdlijnen

De Ouderkerkerplas is een diepe zandwinplas, gegraven om zand te winnen voor de aanleg van de A9. Vervolgens is de plas ingericht als recreatiegebied (zwemwaterfunctie) met ruimte voor natuur. Het dagelijks beheer is in handen van Groengebied Amstelland. De plas is 73 hectare groot en maximaal 43 meter diep. De plas ligt in de polder de Nieuwe Bullewijk en watert daar ook op af. De Ouderkerkerplas is een ‘doorstroomplas’: er gaat aan de ene kant grondwater in en ergens anders gaat het er uit), maar we verminderen zo wel de netto kweldruk. Indien nodig laat AGV water in vanuit de Bullewijk. Het water in de Ouderkerkerplas is brak en matig voedselrijk.
Ouderkerkerplas (NL11_3_3) heeft watertype “matig grote diepe gebufferde meren” (M20) en het wateroppervlak van het waterlichaam is 73 hectare.
Het waterlichaam bestaat uit de deelgebieden:
2250-EAG-1 (Polder de Nieuwe Bullewijk en Holendrechter- en Bullewijker Polder noord, Ouderkerkerplas)
Het waterlichaam ligt in de provincie(s) Noord-Holland en gemeente(n) Ouder-Amstel. Het waterlichaam Ouderkerkerplas heeft de status KRW waterlichaam en zwemwaterlocatie en is in eigendom van Gemeente Amsterdam.

Ligging en beeld

Het ecosysteem ziet eruit als onderstaand beeld

Ligging waterlichaam

Ligging deelgebieden

Toestand

Ecologische analyse op hoofdlijnen

De doelen
Het KRW-doel is het realiseren van een goede ecologische toestand voor Matig grote diepe gebufferde meren (M20), met scores voor fytoplankton, macrofauna, waterflora en vis in het groen.

De huidige toestand vergeleken met de doelen –matig
De toestand in Ouderkerkerplas (zwarte lijnen in de figuur hiernaast) is matig. Het biologische kwaliteitselement met het laagste oordeel is Fytoplankton. De slechts scorende deelmaatlat van dit kwaliteitselement is Soortensamenstelling fytoplankton.

Er is herstel doorzichtbaar sinds er maatregelen zijn genomen. Sinds 2018 komt er weer vegetatie voor in de plas. De plas is een heldere diepe plas geworden. De emerse vegetatiegemeenschap is niet goed ontwikkeld. De score op de maatlat Fytoplankton vertoont een positieve trend (0.3 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Waterflora vertoont een positieve trend (0.13 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Macrofauna vertoont een negatieve trend (-0.05 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Vis vertoont een negatieve trend (-0.27 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). Fosfor laat echter een dalende trend zien (vooruitgang) tussen 2006 en 2020. Stikstof en pH dalen (vooruitgang) ook gedurende de afgelopen planperiode. De dalende pH in het water wordt veroorzaakt door de afname van algen en is een indicatie van een verbetering van de waterkwaliteit.

Oorzaken op hoofdlijnen
De oorzaak van de ontoereikende kwaliteit is dat de plas gevoelig blijft voor fosforrijk grondwater. De verwachting is dat de situatie weer zal omslaan van helder naar troebel wanneer het toedienen van zuurstof in de waterbodem stopt.

Maatregelen op hoofdlijnen
Maatregelen zijn gericht op het verminderen van de fosforbelasting, bijvoorbeeld door het optimaliseren van de inlaat, het toestaan van peilfluctuatie en het toedienen van zuurstof aan de bodem. Onderzocht wordt of het mogelijk is de zuurstoftoediening door iets duurzamers te vervangen, dat fosfor permanent vastlegt.

Toestand

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Ecologische sleutelfactoren

Ecologische sleutelfactoren

esficon Productiviteit water is nu goed, maar staat onder druk. De fosforbelasting is hoog geweest in 1988/89 doordat er ten behoeve van de ontwikkeling van de recreatieplas een toplaag in de plas is aangebracht. Dit leverde een bodemnalevering op van fosfor. Hier ligt nu ‘een deksel op’ door het toedienen van zuurstof door de Nuon. Risico is de toename van voedselrijke kwel als het peil in de zomer te ver uitzakt. Het flexibel peil pakt anders uit dan gewenst: in droog en warm 2018 is de buffer te klein gebleken en zakt het peil te diep uit. Het viel op dat de P-concentraties in de plas op vrijwel alle dieptes vanaf augustus sterk toenamen. Dit is toegeschreven aan een netto toename van de (zeer P-rijke) kwel. In het voorjaar heeft inlaatwater uit de Bullewijk de voorkeur omdat dit minder voedselrijk is dan kwel. In juli en augustus verdient kwel toch de voorkeur als waterbron als het waterpeil ver uitzakt. Juist dan kan inlaatwater op korte termijn tot blauwalgenbloeien leiden. Het loont dus om in het voorjaar wat in te laten om een marge over te houden voor de zomer waarbij niets ingelaten wordt. Fosfor wordt nu vastgelegd in de waterbodem, maar zodra de zuurtoftoediening uit gaat loopt de plas weer risico.
esficon Lichtklimaat vormt geen probleem. Het doorzicht is toegenomen in de laatste jaren door een afname van algen. De afname van algen wordt veroorzaakt door de vastlegging van fosfor aan ijzer onder de zuurstofrijke condities. Fosfor en ortho-fosfor concentraties zijn nu vergelijkbaar met die in andere diepe plassen, zoals de Gaasperplas. Het risico op epifyten (die het licht uitdoven) is daarmee klein.
esficon Productiviteit bodem vormt een probleem.
esficon Habitatgeschiktheid vormt een probleem. Brasem domineert de visstand. Als de vegetatie zich voldoende herstel zal de habitatgeschiktheid verbeteren.
esficon Verspreiding staat onder druk. De plas is volledig geïsoleerd, wat een probleem kan zijn voor aal. Het aalbestand is redelijk laag (in 2009 en 2011 is respectievelijk 0.9 en 1.6 kg paling per hectare gevangen in 2018 geen), maar wel hoger dan in alle andere diepe plassen. Voor andere soorten wordt verwacht dat verspreiding geen probleem is in de Ouderkerkerplas.
esficon Verwijdering vormt geen probleem.
esficon Organische belasting vormt geen probleem.
esficon Toxiciteit vormt geen probleem. Koper overschreed in eerdere jaren, maar laat sinds 2016 geen overschrijdingen meer zien.

Bron

Deze factsheet is gebaseerd op de KRW toetsing aan (maatlatten 2018) uit 2019, begrenzing waterlichamen 2015-2021, hydrobiologische data 2006-2018 en conceptmaatregelen en doelen voor SGBP3 en Evaluatie maatregel koudewinning en O2 toedienen (2018).

Maatregelen (R)

SGBP 1 en 2 maatregelen die (deels) zijn uitgevoerd

SGBP 1 en 2 maatregelen in planvorming

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn gefaseerd

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn ingetrokken of vervangen

Nieuwe maatregelen voor SGBP3 tov totaal aantal maatregelen

Maatregelen

ESFoordeel SGBPPeriode Naam Toelichting BeoogdInitiatiefnemer UitvoeringIn
esficon SGBP3 2021-2027 Het verhogen van flexibel peil Door verhoging van het winterpeil stroomt minder voedselrijke kwel toe en ontstaat pas later in het jaar een inlaatbehoefte. Een aanpassing van het peilbesluit is nodig. Daarbij moeten effecten van een peilwijziging worden afgewogen. Aandacht is daarbij nodig voor o.a. funderingen, waakhoogte en stabiliteit van de dijklichamen en peilen in omringende peilvakken. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Inlaatwater diep suppleren Als het inlaatwater niet aan het oppervlak maar onder de spronglaag geloosd wordt in de zomer dan zijn de nutrienten (0.25 mgP/l) in het inlaatwater niet beschikbaar voor algen. Fosfor wordt bovendien vastgelegd in de waterbodem als er voldoende ijzer en zuurstof aanwezig is nabij de waterbodem. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Onderzoek beperken interne belasting Ouderkerkerplas (waterbodem) Op dit moment wordt zuurstof toegediend bij de waterbodem om fosfor te binden zodat dit niet aan het oppervlaktewater wordt afgegeven. Evaluatie van de metingen wijzen uit dat het wenselijk is om duurzamere alternatieven te vinden op basis van ervaring in andere diepe plassen. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Optimaliseren peilbeheer Dit is om te voorkomen dat er veel voedselrijk grondwater de plas instroomt, maar ook om waterinlaat in het epilimnion te voorkomen (in de zomer). In het voorjaar heeft waterinlaat waarschijnlijk de voorkeur boven instroom van grondwater (bij een te laag peil). Door in te laten, verminderen we de hoeveelheid voedselrijk grondwater dat de plas instroomt. Monitoring van peilen en nutriënten is nodig om jaarlijks te kunnen evalueren en bijsturen naar een optimaal peilbeheer. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Zomeruitlaat stoppen Momenteel wordt incidenteel water uitgelaten t.b.v. Holendrechter- en Bullewijkerpolder en de polder de Nieuwe Bullewijk. Het gebeurt weinig, maar juist wel in de droge perioden als het plaspeil (te) laag is. Onderzoek naar alternatieve watervoorziening voor genoemde polders is nodig om de (on)mogelijkheden te verkennen, zodat geen water uit de Ouderkerkerplas gebruikt hoeft te worden. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2020
SGBP3 2021-2027 Kleinere maximumhoeveelheid toestaan voor het onttrekken van water oppervlaktewater Nabij diepe plassen en kleine ondiepe plassen willen we ontrekkingen zoveel mogelijk voorkomen, door een alternatieve locatie te zoeken in een ander peilvak. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Inlaatwater defosfateren De Ouderkerkerplas heeft water uit de Amstellandboezem nodig om op peil te blijven. Het inlaatwater uit de Holendrecht, dat nodig is om de plas op peil te houden, wordt gedefosfateerd voordat het in de plas terecht komt. Het is daarnaast ook van belang in juli-augustus zo weinig mogelijk water in te laten omdat dit water boven de spronglaag (epilimnion) algenbloeien kan veroorzaken. Het loont dus om in het voorjaar water in te laten om een marge over te houden voor de zomer waarbij niets ingelaten wordt. Als er in de zomer toch inlaatwater nodig is dan is het van groot belang dat dit water weinig voedingstoffen bevat. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP2 2015-2021 Uitvoeren herstelmaatregelen Ouderkerkerplas Het gaat om het verder uitvoeren van de waterbeheermaatregelen (peilbeheer) om de inlaat naar de plas te optimaliseren en daarmee de belasting te verminderen. Het is de voortzetting van de maatregel uit de planperiode van SGBP-1. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2015-2021
SGBP1 2009-2015 Onderzoeken "“Waarom het is, zoals het is?”" in Ouderkerkerplas Het uitvoeren van een watersysteemanalyse met als onderzoeksvragen:- Mogelijkheden voor ontwikkeling water- en oeverplanten- Onderzoeken effecten vogelstand- Onderzoeken mogelijkheden aanpak drijfalgen door herinrichting zwemwaterlocatie Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
SGBP1 2009-2015 Uitvoeren herstelmaatregelen Ouderkerkerplas Het gaat om het uitvoeren van de volgende waterbeheermaatregelen:- Het optimaliseren van de inlaat vanuit Bullewijk naar de plas- Het toestaan van peilfluctuatie in de plas met als doel het begroeibaar areaal voor waterplanten te vergroten Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
Niet opgenomen in SGBP Zuurstoftoedienen bij waterbodem Ouderkerkerplas Hierdoor wordt P in de bodem vastgelegd. Dus lagere interne belasting. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2015-2021
esficon SGBP1 2009-2015 Toepassen ecologisch onderhoud oevers hoofdwateren - fase 1 Een gebiedsbrede maatregel in alle waterlichamen Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
esficon SGBP1 2009-2015 Vispasseerbaar maken sluizen, gemalen en stuwen - fase 1 Deze maatregel is ingetrokken omdat dit gemaal geen knelpunt is voor vismigratie. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
esficon SGBP3 2021-2027 Effecten van de toegenomen graasdruk door grauwe ganzen verminderen, mitigeren en/of compenseren Een maatregel in alle waterlichamen waar een sterke graasdruk van ganzen op de emerse vegetatie bestaat. Door ganzenbeheer krijgen rietoevers meer kans om te herstellen (KRW-doel); dit is ook belangrijk voor de instandhouding van leefgebied voor moerasvogels (Natura2000-doel). Deze maatregel wordt opgenomen in het fauna/ganzenbeheerplan van de Faunabeheereenheid (FBE) en uitgevoerd door wildbeheereenheden en terreinbeheerders. Groengebied Amstelland?? (is gemeente Ouderamstel) 2021-2027

Disclaimer: SGBP3 maatregelen zijn nog niet bestuurlijk vastgesteld en kunnen nog worden gewijzigd.

Toelichting en onderbouwing ESF-en, monitoring en begrenzing

Motivering KRW status en herbegrenzing

Geen herbegrenzing nodig.

Monitoringswensen

In dit waterlichaam wordt de vegetatie 1 keer per 3 jaar gemeten. Macrofauna wordt niet gemeten, voor de KRW worden resultaten uit een ander waterlichaam getoond in formele rapportages (niet in deze factsheet). Fytoplankton wordt 1 keer per 3 jaar gemeten. Vis wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Daarnaast worden maandelijks verschillende fysisch chemische parameters gemeten in het waterlichaam en het inlaatwater van het waterlichaam. Het waterpeil in de plas en grondwaterpeil rond de plas zou continu bemeten moeten worden: om te zien hoeveer de plas uitzakt en wanneer er aanvoer is van voedselrijk grondwater. Er zou online plaspeil & 2 actuele grondwaterstanden in 1ste watervoerend pakket (ten noorden en ten zuiden van de plas) gemeten moeten worden. Actie loopt (Joost), maar vermoedelijk niet op basis van grondwatergestuurd peilbeheer. De peilbuizen moeten nl. wel op de goede plek staan om bruikbaar te zijn voor grondwatergestuurd peilbeheer. Met Jos heb ik naar bestaande peilbuizen gekeken. Iincidentele handmetingen orde 0.5 - 1 km van de plas lijkt een goed plan. Jaarlijkse evaluatie van zuurstoftoediening met NUON. Wie is hier contactpersoon?

Indicatoren ESF

ESF 1: Productiviteit

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

ESF 2 en 4: Lichtklimaat en waterdiepte

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

ESF 1 en 3: Waterbodem

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Brondata: water- en stoffenbalansen

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma`s fysisch-chemie en hydrobiologie

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma waterbodemchemie

EKR scores op alle deelmaatlatten in de tijd

Begrippenlijst en afkortingen

Waterlichaam De waterlichamen vormen de basisrapportageeenheden van de KRW. Op basis van artikel 5 KRW zijn in 2004 Nederlandse oppervlaktewateren aangewezen als KRW-waterlichamen: natuurlijk, kunstmatig2 of sterk veranderd. Een oppervlaktewaterlichaam kan als kunstmatig of sterk veranderd worden aangewezen vanwege ingrepen in de hydromorfologie (art. 4 lid 3 KRW), die het bereiken van de Goede Ecologische Toe-stand verhinderen. In Nederland zijn vrijwel alle waterlichamen kunstmatig of sterk veranderd.

Emerse waterplanten Emerse waterplanten steken gedeeltelijk boven het wateroppervlak uit en wortelen in de (water)bodem.

Helofyten De moerasplanten of helofyten kan men vinden in vochtige gebieden, oevers, tijdelijke wateren en overstromingsgebieden. Typerend voor vele moerasplanten is dat ze zich hebben aangepast aan een droge periode (zoals het uitdrogen van een rivierbedding) en een periode van gedeeltelijke of volledige onderdompeling. Voor sommige soorten is deze afwisseling noodzakelijk voor het bestaan. Terwijl de ‘echte’ waterplanten niet in de bodem wortelen en vaak onder water kunnen leven (met uitzondering van de bloeiwijzen), wortelen de helofyten of moerasplanten in de bodem en steken gewoonlijk boven de wateroppervlakte uit.

Submerse waterplanten De term submers (ondergedoken) wordt gebruikt voor waterplanten die geheel onder water groeien. Alleen de bloeiwijze kan bij sommige soorten boven het water uitsteken.

Hydrofyten De ‘echte waterplanten’ of hydrofyten komen voor in stilstaande of traag stromende permanente meren of rivieren. Deze planten zijn aangepast aan een submers leven. Indien het biotoop uitdroogt wordt het voortbestaan van deze planten bedreigd. De wortels dienen tot verankering van de plant. De stengels kunnen tot tien meter lang worden en zijn soepel en buigbaar. De drijvende bladeren kunnen hierdoor aanpassen aan de waterstand, waardoor de lichtopname niet in het gedrang komt. Andere soorten drijven, onafhankelijk van de bodem, net onder of boven het wateroppervlak. Er bestaan dus hydrofyten met zowel een submerse als emerse groeivorm. In beide gevallen zullen de voedingstoffen hoofdzakelijk via het blad opgenomen worden.

GAF Een afvoergebied of een cluster van peilgebieden met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze via een gemeenschappelijk punt hun water lozen op een hoofdsysteem.

EAG Ecologische analysegebieden zijn nieuwe opdelingen van de bestaande af- en aanvoergebieden (GAF’s), meestal (delen van) polders. De opdeling in EAG’s is gemaakt op basis van een aantal kenmerken zoals vorm, verblijftijd, waterdiepte, strijklengte, de aanwezigheid van kwel of wegzijging en de afvoerrichting van het water. Een EAG valt altijd volledig binnen een afvoergebied. Af-en aanvoergebieden, maar ook KRW-waterlichamen, zijn dus opgebouwd uit één of meer EAG’s.

KRW Kaderrichtlijn water

N2000 Natura 2000 De verzameling van Nederlandse natuurgebieden die in Europees verband een beschermde status genieten (Vogel- en habitatrichtlijngebieden).

EKR Ecologische kwaliteitratio, een getal tussen 0 en 1 waarmee de kwaliteit van een ecologische parameter wordt aangegeven. 0 is zeer slecht, 1 is zeer goed. De grens voor het GEP wordt gewoonlijk bij een EKR van 0,6 gelegd.

Biologisch kwaliteitselement Een ecologische groep de waarmee de situatie van het waterlichaam wordt beoordeeld. Gebruikt worden: fytoplankton en diatomeeën (algen), waterplanten, macrofauna (waterdieren) en vissen.

Maatlat Een schaal die gebruikt wordt om de situatie van een ecologische parameter te beoordelen. De uitkomst is een EKR.

Deelmaatlat Voor elk biologisch kwaliteitselement zijn één of meerdere deelmaatlattenonderscheiden op basis van de soortsamenstelling en de (relatieve) aanwezigheidvan soorten, en voor vis de leeftijdsopbouw. De uitkomst is een EKR.

Indicator Een verder opdeling van biologische deelmaatlatten. De uitkomst is in een aantal gevallen een EKR.

GEP of KRW doel De KRW heeft voor natuurlijke waterlichamen als doel dat een goede toestand (zowel ecologisch als che-misch) moet worden gehaald (GET). Voor de kunstmatig of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen moet een goed ecologisch potentieel (GEP) en een goede chemische toestand worden bereikt. Het GEP voor rijkswateren wordt afgeleid door Rijkswaterstaat namens de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat (en mogelijk Landbouw, Visserij en Voedselveiligheid) en gepresenteerd in het Beheerplan rijkswateren (BPRW, vastgesteld door de ministers). De provincies zijn verantwoordelijk voor het afleiden van het GEP voor regionale wateren. Dit gebeurt in regionale waterplannen. Hoewel de provincie formeel het GEP moet vaststellen in het regionaal waterplan, levert het waterschap vanwege de kennis over watersystemen meestal het GEP aan, als beheerder van het regionaal oppervlaktewaterlichaam. Beide kunnen hierbij de Handreiking KRW-doelen volgen. De KRW biedt uitzonderingsmogelijkheden waarbij het doel later (doelvertraging) of niet (minder streng doel) gehaald hoeft te worden. Alleen in het laatste geval is het GEP niet meer het doel. In deze handreiking is het GEP-synoniem voor het doel, tenzij anders aangegeven. In hoofdstuk 3 en 4 wordt het afleiden van de doelen technisch beschreven.

SGBP Naast het definiëren van waterlichamen en doelen schrijft de KRW voor dat er stroomgebiedbeheerplan-nen (SGBP) worden opgesteld (art. 13 KRW). De bouwstenen van de stroomgebiedbeheerplannen staan in de waterplannen van het Rijk en de provincies en in de beheerplannen van de waterbeheerders. De SGBP’s geven een overzicht van de toestand, de problemen, de doelen en de maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit voor de inliggende waterlichamen. Nederland kent vier stroomgebieden: Rijn, Maas, Schelde, en Eems. De beheerplannen voor de stroomgebie-den worden iedere zes jaar geactualiseerd. Volgens bijlage VII van de KRW bevatten de SGBP’s onder andere:de beschrijving van de kenmerken van het stroomgebieddistrict;de ligging, begrenzing en typering van waterlichamen (voor sterk veranderd en kunstmatig inclusief een motivering); de huidige toestand op basis van de resultaten van de monitoring over de afgelopen periode;de doelen voor waterlichamen en een eventueel beroep op uitzonderingsmogelijkheden inclusief motivering; een samenvatting van de te nemen maatregelen om de doelen te bereiken.

Watersysteemanalyse Om goede keuzes te maken voor doelen en maatregelen is het essentieel te weten hoe een waterlichaam werkt. De systeemanalyse heeft als doel inzicht te verschaffen in het systeemfunctioneren, wat via verschillende methoden bereikt kan worden. Dit vormt het vertrekpunt voor het antwoord op de vraag hoe (met welke maatregelen) kan worden gekomen tot een betere toestand. Zonder goed inzicht in het systeem-functioneren is het risico groot dat niet de juiste maatregelen in beeld zijn, of dat maatregelen uiteindelijk niet opleveren wat ervan wordt verwacht.